Passend onderwijs

Waar gaat het over?

U heeft waarschijnlijk in de pers of anderszins deze term het afgelopen jaar wel gehoord of gezien. Passend onderwijs is onderwijs dat zoveel mogelijk kinderen binnen de reguliere basisschool een ‘passende begeleiding’ wil bieden. Dat betekent dat er meer kinderen met een speciale begeleidingsvraag in het gewone basisonderwijs terecht moeten kunnen voor ‘onderwijs op maat’.  Het is nu zo dat kinderen met een verstandelijke beperking of een gedragsstoornis voornamelijk in het speciaal onderwijs worden begeleid. Scholen voor speciaal onderwijs zijn b.v.  z.m.l.k.-scholen, scholen voor kinderen met gedragsstoornissen, scholen voor blinde en dove kinderen en kinderen met spraakstoornissen.

De term ‘speciaal onderwijs’ moet niet worden verward met ‘speciale basisschool’. Naar deze laatstgenoemde school gaan kinderen die onvoldoende op de reguliere school kunnen worden begeleid, ook niet na inzet van een handelingsplan of van extra begeleiding vanuit het samenwerkingsverband (WSNS).  Onze school maakt deel uit van een dergelijk verband, evenals de speciale basisschool ‘De Toermalijn’ in Emmen.

Naast de kinderen met een speciale hulpvraag op het gebied van leren of gedrag die vroeger (d.i. vóór de WSNS-periode, vanaf het begin van de negentiger jaren)  veelal naar de toenmalige LOM (leer en opvoedingsmoeilijkheden)-school gingen en nu gewoon naar de basisschool gaan, zijn er momenteel ook kinderen met een leerlinggebonden budget voor een speciale begeleiding (de zgn. rugzak) die toch naar de gewone basisschool gaan. Met het genoemde budget kan dan extra begeleiding op de gewone basisschool worden gerealiseerd. De mate waarin dat kan is afhankelijk van de begeleidingscapaciteit van de school. Die kan per school verschillen. Het is dus een kwestie van overleg en afstemming tussen school en ouders of een kind met een ‘rugzak’ wel of niet op de gewone school wordt geplaatst.

De toekomst

De volgende stap die het ministerie van onderwijs gaat zetten,  is het creëren van nog meer “thuis nabij’ onderwijs, d.w.z. dat zoveel mogelijk kinderen met verschillende begeleidingsvragen naar de reguliere basisschool kunnen gaan. Dit heeft onder meer als doel dat steeds minder kinderen buiten hun vertrouwde sociale omgeving basisonderwijs hoeven te volgen. Dus eigenlijk ”nog meer kinderen samen naar school”.

Dit betekent dat we in de komende jaren toegroeien naar een situatie waarbij:

·         mogelijk meer kinderen met een speciale hulpvraag in het reguliere basisonderwijs zullen worden begeleid dan nu het geval is,

·         schoolbesturen (en dus scholen) verantwoordelijk worden voor een passend onderwijs- en begeleidingsaanbod (een school heeft dan de zorgplicht om een passende plek voor een nieuwe leerling te zoeken, al of niet binnen de eigen school),

·         scholen worden uitgerust met  meer faciliteiten om die zorg te kunnen bieden,

·         leerkrachten beter worden toegerust voor hun taak om passend onderwijs te geven,

·         meer samenwerking wordt gerealiseerd met instellingen ‘rondom’ de school (maatschappelijk werk, jeugdzorg, GGD e.d.),

·         de school participeert in een samenwerkingsverband van scholen en instellingen dat  meer diversiteit in begeleidingsmogelijkheden heeft,

·         er één loket komt waar kinderen met een speciale hulpvraag kunnen worden  aangemeld en vervolgens wordt bekeken welke instelling de school dan wel de leerling het beste kan ondersteunen,

·         de school haar zorgcapaciteit duidelijk in kaart heeft gebracht.

 

Wat betekent ‘passend onderwijs’ niet:

·         dat alle kinderen binnen de reguliere basisschool passend begeleid moeten worden, ofwel dat alle kinderen naar een gewone basisschool moeten,

·         dat er geen school meer is voor kinderen met heel specifieke en complexe begeleidingsvragen,

·         dat ouders geen invloed hebben en mee kunnen denken bij het zoeken van een passende school voor hun kinderen.

Huidige stand van zaken

Oorspronkelijk was staatsecretaris van onderwijs mevr.  Dijksma van plan passend onderwijs in 2011 in te voeren. Door te luisteren naar reacties en bevindingen uit de onderwijspraktijk is zij afgelopen zomer tot de conclusie gekomen dat dit niet haalbaar is, gezien de veranderingen die nog moeten worden doorgevoerd.

Een andere conclusie is dat tot nu toe is gebleken dat teveel geld naar het vormen van bestuurlijke structuren en overlegvormen gaat en te weinig geld naar de scholen. Geldstromen komen op deze wijze niet rechtstreeks ten goede aan inhoudelijk passend onderwijs en dus aan de kinderen, ondanks de subsidies die beschikbaar zijn gesteld voor zgn. ‘veldinitiatieven’ en andere experimenten.

Een derde conclusie is dat leerkrachten over het algemeen nog onvoldoende zijn toegerust om goed passend onderwijs te kunnen verzorgen.

Passend onderwijs komt, alleen wanneer is de vraag. Zowel op bestuurs- en bovenschools als op schoolniveau zijn we al bezig ons hier op voor te bereiden. De algemeen directeur neemt deel aan verschillende soorten overleg om een netwerk van instellingen en scholen te vormen die een breed passend onderwijsaanbod realiseren. Het accent ligt daarbij o.a. op het vormen van één zorgloket en op het op- en inrichten van een dekkend netwerk, waarbinnen veldinitiatieven en pilots kunnen worden genomen, resp. uitgevoerd.

Binnen onze school zijn we momenteel bezig om zicht te krijgen op onze zorgcapaciteit en op wat er moet veranderen voor de toekomst. Met betrekking tot de leerlingbegeleiding maken we een omslag om minder met individuele handelingsplannen en meer met groepshandelingsplannen te gaan werken. Ook zijn wij van mening dat we voor de uitvoering van passend onderwijs meer, dan wel ander personeel nodig hebben: leerkrachten, onderwijsassistenten, gespecialiseerde leerkrachten.

Het bovenstaande maakt duidelijk dat nieuw beleid van ‘bovenaf bedacht en naar de scholen gebracht’ niet altijd direct en volledig uitvoerbaar blijkt. Belangrijk voor de komende jaren is dat het onderwijsveld alert blijft. Het siert de staatssecretaris dat ze tot nu toe geluisterd en gekeken heeft naar de praktijk en haar beleid heeft bijgesteld.

Echter ook dat roept weer vragen op, in het bijzonder bij de ouders. Het volgende voorbeeld illustreert dat. De huidige ‘rugzakfinanciering’  (waarbij geld aan de leerling is gekoppeld en dus de leerling, c.q. zijn ouders invloed hebben op de besteding van dat geld) is, althans in een brief van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer, van de baan. De staatsecretaris is voornemens om in de toekomst dit geld rechtstreeks aan de samenwerkingsverbanden uit te keren. De deelnemende besturen / scholen van de samenwerkingsverbanden hebben dan invloed op de besteding van deze gelden. Voor de ouders is het dus eveneens van belang om alert te blijven. Ook binnen het platform Passend Onderwijs Z.- O.- Drenthe wil men graag de ouders horen over de voorgenomen veranderingen in het kader van passend onderwijs en daarom met hen in gesprek komen. Heeft u belangstelling, neem dan even contact op met ondergetekende.

                                                                                                                      Fokke Dijkstra